Het “heilige land” en zijn christelijke bezoekers

(lezing door Klaas Spronk op 3 november 2014)

Het is bekend dat dominees vatbaar zijn voor het zogeheten messiascomplex. Zij voelen zich geroepen om alle problemen die zij tegenkomen in hun pastorale praktijk op te lossen, als waren zij de Here Jezus zelf. Tenzij zij tijdig tot bezinning komen levert dit grote problemen op. Vaak leidt dit heilig vuur tot een burn-out.

Een verwant verschijnsel is dat van het zogeheten Jeruzalem syndroom dat soms heilige-landgangers treft.[1] In een nummer van het British Journal of Psychology uit 2000 wordt het omschreven als een vorm van religieuze opwinding veroorzaakt door de nabijheid van heilige plaatsen. Men onderscheidt zeven fasen, van hevige nervositeit totaan het houden van een heftige preek op een heilige plaats. Jaarlijks worden er in Jeruzalem gemiddeld ruim veertig mensen opgenomen met deze verschijnselen. Verreweg de meesten daarvan zijn protestant, een enkeling katholiek of joods.

Het heilige land en Jeruzalem in het bijzonder doet wat met je, zo kan men hieruit afleiden. Doorgaans neemt het niet zulke extreme vormen aan, maar het is wel goed om er rekening mee te houden dat je er zelf waarschijnlijk ook niet helemaal aan ontkomt. Zeker niet als je protestant bent. Het zal dus ook wel iets met de prediking uit de Bijbel te maken hebben.

Wie net als ik met de Bijbel is opgevoed kan erover meepraten. De verhalen worden onderdeel van je leefwereld. Zeker in een tijd dat er nog ruimte was voor je eigen verbeelding (en niet alles al ingevuld werd zoals tegenwoordig gebeurt in de niet aflatende stroom van films over de Bijbel) speelde zich het allemaal tegen je eigen vertrouwde achtergrond. Zoals je dat ook ziet in oudere schilderijen. Wanneer je dan het voorrecht geniet om het heilige land zelf te bezoeken is dat een bijzondere ervaring. Het is een vorm van thuis komen en tegelijkertijd een confrontatie met een wereld die toch tamelijk anders is. Iedereen zal dat wel op zijn eigen manier ervaren. Wat mij bijgebleven is van mijn eerste en tot dusver enige reis naar Israel met een groep studenten in 1985 was vooral de grote overgang bij terugkeer naar Nederland: wat is het hier saai vergeleken met Israel. Dat geldt voor het landschap en voor al die dingen waar we hier mee bezig zijn. En een gevoel dat sinds die tijd alleen maar sterker is geworden is het gevoel van afstand: wie ben ik dat ik hier in Nederland een mening zou moeten hebben of zelfs een oordeel zou kunnen uitspreken over wat er daar in Israel gebeurt?

Bij de studenten van tegenwoordig zie ik overigens veel minder belangstelling voor Israel dan wij dertig jaar geleden hadden. Dat heeft waarschijnlijk te maken met die eindeloze, vruchteloze discussies rondom Israel en de Palestijnen. Maar toch, als ik voorstel om een studiereis te gaan maken naar Israel, dan worden ze opeens wel enthousiast. Het land blijft christenen trekken. Dat doet het al vanaf de eerste eeuwen. Een mooi overzicht daarvan geeft Jan Kees de Geus in zijn bijdrage aan de feestbundel voor Ed Noort.[2] Het land blijft letterlijk in het middelpunt van de belangstelling, zoals blijkt uit het feit dat het op oude kaarten steevast als middelpunt van de wereld wordt aangegeven. Een mooi voorbeeld is deze dertiende eeuwse kaart: de Ebstorfer Mappa mundi, die als het ware de gekruisigde Christus op het lijf geschreven staat. De opstandingskerk in Jeruzalem staat er centraal.[3] Heel bekend is ook de afbeelding van de wereld als een klaverblad in Itinerarium Sacrae Scripturae uit 1581 van de protestante dominee Heinrich Bunting.

Vanaf het begin van de negentiende eeuw werd het steeds gebruikelijker om het heilige land met eigen ogen te gaan bekijken. Dat heeft te maken met de toegenomen mogelijkheden om de reis te maken, maar ook met toegenomen historische interesse naar hoe het er nu echt uit ziet om vandaar uit ook de brug te slaan naar de geschiedenis: hoe is het in de werkelijkheid van toen toegegaan? De laatste jaren is er veel aandacht besteed aan de vele reizen uit die periode. Over Nederlandse reizigers is er de bundel gepubliceerd in 2008 onder redactie van Frits Broeyer en Gert van Klinken: Reizen naar het Heilige land. Protestantse impressies 1840-1960.[4] Over dezelfde periode vanuit Amerikaans perspectief gaat het boek van Stephanie Stidman Rodgers uit 2011 met de veelzeggende titel Inventing the Holy Land: American Protestant Pilgrimage to Palestine, 1865-1941.[5] We kunnen er veel van leren over hoe het Midden-Oosten er uitzag in een periode dat het nog redelijk ongerept was. We kunnen uit de reisverslagen ook veel en misschien nog wel meer leren over de visie die men toen op het land had. De titel van het boek van Stidman Rogers geeft aan de blik van de reiziger wel erg bepalend was. Scherp werd dat in 1869 verwoord door Mark Twain in zijn boek The Innocents Abroad, or, The New Pilgrim’s Progress:

I am sure . . . . that many who have visited this land in years gone by were Presbyterians, and came seeking evidences in support of their particular creed; they found a Presbyterian Palestine, and they had already made up their minds to find no other . . . . Others were Baptists, seeking Baptist evidences and a Baptist Palestine. Others were Catholics, Methodists, Episcopalians . . . . Honest as these men’s intentions may have been, . . . . they entered the country with their verdicts already prepared, and they could no more write dispassionately and impartially about it than they could about their own wives and children (384).[6]

De schrijvers van de reisverslagen zijn zich daarvan heus wel bewust. Ze zien het echter vooral bij al die andere heiligelandgangers. Zij zullen zelf niet in die fout vervallen, want hun visie is namelijk Bijbels gezien de juiste. Op een afstand zien wij nu echter heel goed hoe dogmatisch gekleurd hun waarneming was en hoezeer bepaald ook door de gebeurtenissen uit hun eigen tijd. Ik zal daarvan enkele voorbeelden geven zoals men aantreft in de genoemde bundel van Broeyer en Van Klinken.

Abraham des Amorie van der Hoeven beschrijft in zijn boek Bijbelsche landschappen (gepubliceerd in 1838 en 1839) zijn gevoelens in de hof van Getsemane:

Het oog des geloofs staart met weemoedig aandenken op die plek, waar de Groote Lijder, de Middelaar Gods en der menschen, ook onzer biddend gedacht; en kunnen wij dien geheiligden grond niet met onze tranen besproeijen, wij kunnen het dankbaar en getroffen hart ten hemel heffen, van waar Zijn oog, het oog des Verheerlijkten, op alle zijne vrienden nederziet, en waar Hij wil dat zij eenmaal bij Hem komen en zijne heerlijkheid aanschouwen zullen (I,4)… Met weemoedig aandenken toeft de Christen-reiziger in Gethsémané’s sombere dreven; en in de schaduw dier olijven neêrgeknield, is het hem als ruischte een stem door hunnen bladeren: Gij zijt duur – duur zijt gij gekocht! (II,70).[7]

Van der Hoeven interpreteert wat hij aantreft in het heilige land als bewijsplaatsen van Gods hand in de geschiedenis. Veel van de in die tijd duidelijk aanwezige vergane glorie ziet hij als de vervulling van het aangekondigde gericht van God. Dat betreft ook het lot van de Joden. Zo merkt hij op bij de situatie van de Joden in Jeruzalem, dat zij niet zomaar in een schamele eigen wijk wonen:

de geringste en morsigste der gansche stad, waar zij in de diepste armoede en ellende (…) leven. Van de overige ingezetenen afgescheiden, door allen geschuwd en veracht (…) verkeeren zij dag en nacht in gestadige vrees (II,61). (…) Zij wierpen den erfgenaam des wijngaards, Gods grooten Christus uit (…) Zij die ‘de moordkreet: naar het kruis met hem!’ door de straten aanhieven, zijn er de oorzaak van dat op de plaats van de tempel nu een moskee staat, een bouwwerk dat ‘den volkeren der aarde toe(roept): God laat zich niet bespotten!’ (II,12).[8]

Toch is er volgens Van der Hoeven ook nog wel een hoopvol perspectief:

niet eindeloos zullen Abrahams nakomelingen onder het oordeel der verwerping zuchten. God zal zich hunner ontfermen, en hunne wederaanneming zal het leven uit de dooden zijn! (II, 62).[9]

Het oordeel van de heiligelandgangers over de Joden wordt beïnvloed door de historische ontwikkelingen, zo kan men opmaken uit de opmerkingen over dit onderwerp in de reisverslagen uit 1915 van de hervormde hoogleraar W.J. Aalders en de gereformeerde predikant J. van der Linden.[10] Ze gaan in op het feit dat sinds het eind van de negentiende eeuw steeds meer Joodse emigranten, met name uit Rusland, zich vestigen in Palestina. Van der Linden waarschuwt er tegen om dit te zien, zoals in chiliastische kringen gebeurt, als een teken van de komst van het duizendjarige rijk. Men moet, zo stelt hij, de profeten in deze echter niet letterlijk nemen. Het kan niet de bedoeling zijn geweest dat aan het eind der tijden, zo schrijft hij, “de Mozaische dienst weer hersteld en onderhouden zou worden door de geloovigen uit Israël en de heidenen”. Als we de profetieën letterlijk nemen, vallen we in het Jodendom terug. Het gaat er om dat in Christus alles tot vervulling komt. Op basis van Romeinen 9-11 mogen we ervan uitgaan dat er wel toekomst is voor Israël als volk, maar dat zal niet het herstel van de Joodse staat zijn. Ook Aalders, die zeer terughoudend is om conclusies te verbinden aan wat hij ziet in Palestina (hij is teleurgesteld over wat hij daar aantreft en noemt het “wanhopig gewoon”), gaat in op de ontwikkelingen rond de immigratie. Hij ziet een verband met de profetie van Jesaja via de naam van zijn zoon Schear Jaschub, “een rest zal terugkeren”. Maar voegt daar wel aan toe dat de toekomst van Israël blijvend verbonden is aan die van Christus. Zolang deze wordt verworpen is er voor Israël geen heil.

Weer vijftig jaar later wordt de toon anders. Dat heeft onmiskenbaar te maken met de stichting van de staat Israël in 1948. Meer nog dan vroeger lees je in de reisverslagen dat het land als het ware de Godsopenbaring ademt. Heel ver gaat Robert Payne daarin, wanneer hij schrijft in zijn boek The splendor of Israel (1963) dat de luchten boven de woestijn van Judea aan de reiziger duidelijk maken waarom de profeten de woestijn ingingen en er weer uitkwamen met openbaringen omtrent Gods aanwezigheid. Nog beter wordt het in Jeruzalem: een inwoner van die stad heeft geen boeken nodig, want hij heeft uit de lucht van Jeruzalem bijna alles ingezogen wat hij dient te weten.[11] Meer in het algemeen en in zijn eigen woorden:

Holiness, indeed, seems to rise from the stone and fall from the sky: it is in the air you breathe and in the food you eat. How it came to be there is a mystery upon which theologians may happily ponder, but its presence is not subject to argument (19)

Met dat laatste is Okke Jager het bepaald niet eens. In zijn bekende reisverslag, of liever: bespiegelingen naar aanleiding van zijn reis, getiteld Hier koos de Heer zich vaste voet uit 1966 merkt hij op dat het landschap niet zo verheerlijkt mag worden dat Gods openbaring er uit kan worden afgeleid. Ook is hij nogal kritisch tegenover het door hem waargenomen filosemitisme en de door velen gelegde verbinding tussen de wonderbaarlijke terugkeer van de joden naar Israël en de Bijbelse profetie. Hij schrijft:

Als Ezechiël vandaag in Israël kon rondkijken, zou hij zeggen: alles wat ik hier zie, heeft te maken met mijn profetie! Maar wij moeten niet zonder meer constateren dat zijn profetie in vervulling is gegaan. Dan zouden wij het karakter van de profetie miskennen. Profetie is geen waarzeggerij. De terugkeer is een feit geworden, maar de vraag is nu, wat Israël er mee doet. (…) Ezechiël zag massagraven, alsof hij Auschwitz al kon zien. Maar de beenderen werden weer een lichaam: een natie. Alleen: er was nog geen geest in hen. Zo staat het er vandaag met Israël voor. Er is wel een nieuw lichaam, maar het wachten is op de Geest. (121v)

Zou, nu we weer vijftig jaar verder zijn, Okke Jager er nog steeds zo naar kijken? Er is weer veel veranderd. De oorlogen sinds 1967 zijn erbij gekomen. Er zijn nogal wat grenzen verlegd, geopend en weer gesloten. De verslagen van de hedendaagse heiligelandreizigers worden gekenmerkt door een stellingname in het conflict tussen Israël en de Palestijnen. En het lijkt meer dan ooit het geval dat wat ziet in het land en hoe men het ziet wordt bepaald door de eigen geloofsovertuiging. De vraag of het land cruciaal is voor de uitoefening van de eigen religie kan niet meer onbevangen worden gesteld, want hij is belast met de vele offers en slachtoffers die zijn gebracht en geëist. Wil je nu een fikse ruzie, dan moet je die vraag gaan stellen aan de mensen die willen gaan bidden op de tempelberg of in Hebron. Als het moet wil men het antwoord met zijn eigen bloed schrijven. En natuurlijk wil men er ook nog wel een passende tekst uit de Bijbel of anders de Koran aan toevoegen, om aan te geven dat men God of Allah aan zijn kant heeft.

God en het land, het is een vertrouwde combinatie, niet alleen in Israël overigens. Vaak is het geen gelukkige combinatie, omdat je op een afstand, vaak te laat, moet vaststellen dat God er alleen maar was ter bevestiging van de eigen inzichten en aanspraken. Komt God zelf ook nog aan het woord? In het Oude Testament is God het die het land belooft aan Abram en het ook doet toekomen aan Israël. Maar in het OT komen ook profeten aan het woord die in naam van God die verbinding tussen het volk en het land ter discussie stellen: Gods woord mag niet verworden tot een vanzelfsprekendheid. Juist ook de Torah geeft in deze te denken. Hieraan wil ik tenslotte nog enige aandacht geven.[12]

Een centrale gedachte is wat in Leviticus 15:23-24 staat:

“Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand, want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn. In heel jullie land moet voor grond altijd het lossingsrecht blijven gelden.” [13]

Het land hoort aan God toe en uiteindelijk beschikt Hij erover. Hij heeft het gegeven en kan het ook weer wegnemen, zoals Hij volgens Jeremia en andere profeten ook deed bij de ballingschap.

Zoals in de moderne tijd het denken over het land sterk bepaald is door de stichting van de staat Israël, zo is in het OT het spreken over het land bepaald door de gebeurtenissen in de achtste en de zesde eeuw voor het begin van onze jaartelling toen het beloofde land door respectievelijk de Assyriërs en de Babyloniërs de Israëlieten en Judeeërs ontnomen is. Het werpt zijn schaduwen ook reeds vooruit in teksten in Deuteronomium. Er is veel discussie over de datering van deze teksten. Het heeft er alle schijn van dat ze zijn geschreven vanuit de genoemde ervaringen van het verlies van het land. Hoe dat precies zit bij de manier waarop deze teksten in hun uiteindelijke vorm tot stand zijn gekomen is niet met zekerheid te reconstrueren. Het doet er in onze discussie ook niet zoveel toe. Belangrijk is vooral hoe hier de relatie tussen land, volk en God wordt getekend. Dat is niet alleen iets voor de tijd van Mozes of voor de tijd van Jeremia of van Ezra. Het is ook iets dat nu gehoord mag of misschien wel moet worden.

Ik loop de relevante teksten langs in de volgorde waarin ze ons zijn overgeleverd. Het gaat dus om gedeelten uit Deuteronomium, de lange redevoering die Mozes hield voordat hij zijn volk onder leiding van Jozua het beloofde land in stuurde. Om te beginnen Deuteronomium 4:34-40, waarin Mozes duidelijk maakt dat God vanaf het eerste begin erop uit was om dit land aan zijn volk te geven. Het is dus ook niet even een tussenoplossing voorafgaand aan iets groters:

“Is er ooit een god geweest die het heeft aangedurfd zich een volk toe te eigenen waarover een ander volk macht uitoefende, en die dat deed met grootse daden, met tekenen en wonderen en felle strijd, met sterke hand en opgeheven arm, en op angstaanjagende wijze-zoals u met eigen ogen de HEER, uw God, in Egypte hebt zien doen? 35 U bent er getuige van geweest opdat u zou beseffen dat de HEER de enige God is; er is geen ander naast hem. 36 Vanuit de hemel heeft hij zijn stem laten horen om u op te voeden, en op aarde heeft hij u dat grote vuur laten zien en vanuit het vuur zijn geboden bekendgemaakt. 37 De HEER heeft uw voorouders liefgehad en hun nageslacht uitgekozen, en hij zelf heeft u met zijn grote macht uit Egypte bevrijd 38 en ter wille van u volken verdreven die groter en machtiger waren dan u, om u hun land binnen te leiden en het u in eigendom te geven, zoals dat nu gebeurt. 39 Wees u er daarom van bewust en laat goed tot u doordringen dat de HEER de enige God is, boven in de hemel en hier beneden op de aarde; een ander is er niet. 40 Houd u altijd aan zijn wetten en geboden, zoals ik ze u vandaag geef. Dan zal het u en uw kinderen goed gaan, en zult u lang mogen leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.”

Belangrijk is hier ook de rol die weggelegd is voor het volk. De verwijzing naar God die al dit goeds in principe had bedacht en nu ook heeft uitgevoerd is ook bedoeld om het volk te motiveren zich nu aan zijn geboden te houden. “Dan zal het u goed gaan”. Is dat een voorwaarde?, zo kan men zich afvragen. Als we verder lezen en komen bij de voorschriften bij het betreden van het beloofde land, dan zien we dat het al iets nadrukkelijker met elkaar verbonden wordt. We lezen in Deuteronomium 7:12-16

12 Wanneer u zich gehoorzaam houdt aan deze voorschriften zal de HEER, uw God, zich van zijn kant houden aan wat hij uw voorouders in zijn goedheid heeft beloofd. 13 Hij zal u zijn liefde betonen, u zegenen en u talrijk maken. Zijn zegen zal rusten op de vrucht van uw schoot en de vrucht van het land-koren, wijn en olie-, op de dracht van uw runderen, schapen en geiten, in het land dat hij u zal geven, zoals hij uw voorouders onder ede heeft beloofd. 14 Meer dan alle andere volken zult u gezegend worden. Onvruchtbaarheid zal bij u niet voorkomen, niet onder mannen en niet onder vrouwen, en evenmin bij uw dieren. 15 De HEER zal u vrijwaren voor elke ziekte, hij zal u alle kwalen die u zich uit Egypte herinnert besparen en ze voor uw vijanden bestemmen. 16 Daarom moet u alle volken die hij aan u uitlevert vernietigen, zonder medelijden te tonen. Dien hun goden niet, want dat zou uw ondergang betekenen.

Dit is een bijzondere en ook wel aanstootgevende belofte. Aan de ene kant is het te mooi om waar te zijn: geen onvruchtbaarheid, geen ziekte. Aan de andere kant te erg om blij te verkondigen: meedogenloos vernietigen van de andere volken. Dit soort teksten associeer je eerder en misschien ook wel liever met radicale Soennieten die Sjiieten uitmoorden en andersom. Aan het slot van Deuteronomium gaat het dan – gelukkig, zou je haast zeggen – weer over God die zich streng tot het eigen volk richt. Over het volk dat ongehoorzaam is worden vreselijke vervloekingen uitgesproken. De goede verstaander zal er ook de latere ballingschap in herkennen. In Deuteronomium 28: 45vv lezen we:

45 Al deze vervloekingen zullen u treffen en u achtervolgen tot er niemand meer over is, omdat u de HEER, uw God, ongehoorzaam bent geweest en de geboden en wetten die hij u voorhield niet hebt nageleefd. 46 Door de ellende getekend zult u met uw nageslacht voor altijd een afschrikwekkend voorbeeld zijn. 47 Omdat u de HEER, uw God, niet met vreugde hebt gediend, blij met alles wat u bezat, 48 zult u de vijand die de HEER op u afstuurt moeten dienen, en dat zal gepaard gaan met honger en dorst, met een tekort aan kleding, met gebrek aan alles. U krijgt een loodzwaar juk opgelegd, tot er niemand meer over is. 49 Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De HEER stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt 50 en meedogenloos optreedt, zonder uw oude mensen te ontzien en uw kinderen te sparen. 51 Ze verslinden alles wat uw vee en uw land voortbrengen, tot u niets meer over hebt. U zult van uw koren, wijn en olie niets overhouden, en geen enkel jong van uw runderen, schapen en geiten; zo zullen ze u te gronde richten. (…) 62 Al bent u eerst zo talrijk als de sterren aan de hemel, u zult maar met een handvol mensen overblijven, omdat u niet naar de HEER, uw God, hebt geluisterd. 63 En zoals de HEER er eerst vreugde in vond om u te zegenen en in aantal te doen toenemen, zo zal hij u dan met vreugde te gronde richten en uitroeien. U zult worden weggerukt uit het land dat u in bezit zult nemen, 64 want de HEER zal u uiteenjagen en onder alle volken verstrooien, tot in de verste uithoeken van de aarde. Daar zult u andere goden vereren, goden die u nog niet kende en ook uw voorouders niet, goden van hout en van steen. 65 Denk niet dat u bij die volken op adem kunt komen of een plek krijgt om te rusten. De HEER zal u daar in angst laten leven en u, met doffe ogen, een kwijnend bestaan laten leiden.

Gelukkig is dit niet het laatste woord. In Deuteronomium 30 lezen we ook van Gods zegeningen, waarin we iets herkennen van de terugkeer uit de ballingschap:

1 Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de HEER, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt 2 en samen met uw kinderen naar de HEER, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen-daartoe heb ik u vandaag aangespoord-, 3 dan zal de HEER, uw God, in uw lot een keer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen. 4 Zelfs al zijn sommigen verbannen naar het eind van de wereld, de HEER, uw God, zal u terughalen en weer bij elkaar brengen. 5 Hij zal u terugbrengen naar het land dat uw voorouders ooit bezaten en het u weer in bezit geven. Hij zal u meer nog dan uw voorouders zegenen en in aantal doen toenemen. 6 De HEER, uw God, zal uw hart besnijden en ook dat van uw nakomelingen, zodat u hem weer met hart en ziel zult liefhebben en in leven zult blijven. 7 De vervloekingen zal hij bestemmen voor uw vijanden en voor iedereen die op uw ondergang uit was. 8 En u zult de HEER weer gehoorzaam zijn en al zijn geboden, zoals ik ze u vandaag heb voorgehouden, in acht nemen. 9 De HEER, uw God, zal u voorspoed geven in alles wat u onderneemt, u kinderrijk maken en uw vee en uw land vruchtbaar maken. Hij zal er weer vreugde in vinden om u te zegenen, zoals voorheen bij uw voorouders. 10 Want u toont de HEER, uw God, dan uw gehoorzaamheid door de geboden en bepalingen in dit wetboek in acht te nemen, en u wilt hem weer met hart en ziel toebehoren.

Het zal dus weer goed komen tussen God en zijn volk, in het beloofde en weer verspeelde land. Maar lezen we het goed? Er wordt hier als vanzelfsprekend verondersteld dat het volk God weer gehoorzaam zal zijn. Hoe zeker is dat? En wat als het toch weer tegenvalt? Als we doorlezen in Deuteronomium 30, dan zien we dat die vraag daar ook gesteld wordt:

15 Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood. 16 Wanneer u zich houdt aan de geboden van de HEER, uw God, zoals ik ze u vandaag heb gegeven, door hem lief te hebben, door de weg te volgen die hij wijst, en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen, dan zult u in leven blijven en in aantal toenemen, en dan zal de HEER, uw God, u zegenen in het land dat u in bezit zult nemen. 17 Maar als u hem de rug toekeert en weigert te luisteren, als u zich ertoe laat verleiden neer te knielen voor andere goden en die te vereren, 18 dan zeg ik u op voorhand dat u te gronde zult gaan. Uw verblijf aan de overkant van de Jordaan, in het land dat u in bezit zult nemen, zal dan van korte duur zijn. 19 Ik roep vandaag hemel en aarde als getuigen op: u staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen, 20 door de HEER, uw God, lief te hebben, hem te gehoorzamen en hem toegedaan te blijven. Dan zult u lang blijven wonen in het land dat hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft beloofd.’

Het land is niet zomaar van dit volk. Er blijft een voortdurende spanning tussen God, volk en het land. God is onmiskenbaar de God die het beste voorheeft met zijn uitverkoren volk. En dat merk je vooral in dit speciale land. Steeds weer neemt hij het initiatief ten goede. Hij houdt vast aan zijn belofte. Maar dat staat niet los van de vraag aan het volk om gehoorzaam te zijn of weer te worden. En dat wordt vooral zichtbaar in dit speciale land. Het is een spanning die nooit wordt opgelost. Het is juist die spanning die op een of andere manier voelbaar is wanneer je in het land bent en daarmee ook een beetje wanneer je, zoals wij hier vandaag, nadenkt over dit bijzondere land. Het is iets waar je niet omheen kunt. In dit land moet je kiezen, zegt Mozes, en doen wat je zegt. Als je maar niet denkt – zo voeg ik er het Jeruzalem syndroom indachtig aan toe – dat je de Messias zelf bent.

[1] Zie hierover Yair Bar El a.o., “Jerusalem Syndrom”, British Journal of Psychology 176 (2000), 86-90 en de korte documentaire van Louis Theroux https://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=1Ivi984hiJA

 

[2] C.H.J. de Geus, “The Fascination for the Holy Land During the Centuries”, in: J. van Ruiten, C.J. de Vos (eds), The Land of Israel in Bible, History, and Theology: Studies in Honour of Ed Noort, Leiden 2009, 405-413; zie ook zijn artikel “Hier is de Heer aanwezig”, Schrift 233 (2007), 147-153 (het hele nummer is gewijd aan het thema “God en plaats”.

[3] http://blog.visualmotive.com/2009/ebstorf-mappamundi/

[4] F.G.M. Broeyer, G.J. van Klinken (red.), Reizen naar het Heilige Land: Protestantse impressies 1840-1960, Zoetermeer 2008.

[5] S. Stidham Rogers, Inventing the Holy Land: American Protestant Pilgrimage to Palestine, 1865-1941, Lanham 2011. Zie verder ook nog M. David, America and the Holy Land, Westport 1995; E. Bar-Yosef, The Holy Land in English Culture 1799-1917: Palestine and the Question of Orientalism, Oxford 2005; B. Yothers, The Romance of the Holy Land in American Travel Writing 1790-1876, Aldershot 2007.

[6] Geciteerd door Yothers, The Romance, p. 1.

[7] Geciteerd door C. Houtman, in Broeyer, Klinken, Reizen, 38.

[8] Geciteerd door Houtman, 41.

[9] Idem.

[10] Zie hierover de bijdrage van M. Aalders, in Broeyer, Klinken, Reizen, m.n. 101vv.

[11] Geciteerd door Okke Jager, Hier koos de Heer zich vaste voet. Meditatief verslag van een reis door Israël en Jordanië (1966), 16.

[12] Een goed overzicht over de discussie van dit thema biedt de bundel van M. Ebner e.a., Heiliges Land (Jahrbuch für Biblische Theologie 23), Neukirchen-Vluyn 2008.

[13] Deze en de volgende teksten zijn genomen uit de Nieuwe Bijbelvertaling (2004).